| Artikelen, krantenberichten en verhalen. |
|
Artikel in blad "Vrij Nederland" van 30 april 1977, jaargang 38, blz. 21: Een romantische alchemist onder de pottenbakkers. Chris Lanooy in gevecht met 'den vuurdaemon' door:Evert van Straaten |
|
De vooroorlogse keramische geschiedenis van Nederland wordt beheerst door een drietal pottenbakkers van internationale allure: Bert Nienhuis, Willem Brouwer Chris Lanooy. De eerste kreeg in 1966 in Rotterdam een overzichtstentoonstelling, de tweede is nog steeds ten onrechte in slechts kleine kring bekend en het levenswerk van de derde staat nu in Leeuwarden in het gemeentelijk museum "Het Princessehof "uitgestald. Christiaan Johannes Lanooy werd in 1881 geboren. Toen hij vijftien was trad hij als leerling-schilder in dienst bij de Haagse aardewerkfabriek Rozenburg. Aangezien de leerlingen van Rozenburg verplicht waren in de avonduren tekenlessen te volgen aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten vormde dat een mogelijkheid voor iemand met tekenaanleg om ervaring en kennis op te doen. Na een jaar was hij daar al weer weg. Uit de schaarse gegevens over de volgende tijd komt als belangrijk feit naar voren dat Lanooy in 1900 bij een bloempottendraaier in Gouda het vak leerde. Hij werkte tot 1920 in die stad, met een korte periode in 1906 en 1907 in Purmerend, om zich daarna tot aan zijn dood in 1948 in Epe te vestigen.
Lanooy gedroeg zich als een vreemde eend in een reeds zeer drukke bijt. Omstreeks 1900 werd in Nederland aardewerk, hetzij voor huishoudelijk gebruik, hetzij voor de sier, in series in fabrieken vervaardigd. Het was volstrekt ongebruikelijk van een voorwerp slechts één exemplaar te maken. Men was van mening dat een mooi keramisch voorwerp door de Kunstenaar op de tekentafel ontworpen kon worden en niet uniek Hoefde te zijn. De fabrieken die zo werkten lieten hun voorwerpen volgens gietprocédés vervaardigen. Er bestond dan ook geen type keramist als we nu kennen: integendeel, een kunstenaar ontwierp een damasten servet, een affiche of een stoel met even veel kennis van zaken als een vaas. Een dergelijke kunstenaar - velen noemden zich liever kunstnijveraar - vormde de ideale verbintenis tussen de kunst en de industrie. Onder andere hierin onderscheidde zich de Nederlandse situatie van die in Engeland, waar de overtuiging bestond dat van de industrie niets en van de kunst alles te verwachten was. In onze streken vond men juist dat de kunstenaar zich zoveel mogelijk met industriële vormgeving moet bemoeien. Wlllem Brouwer was een Ideaal geval. Hij zette een fabriek op waar door middel van traditionele ambachtelijke technieken ontwerpen van zijn hand in serie vervaardigd werden. Lanooy was de eerste Nederlandse pottenbakker die zich afzette tegen elke fabrieksmatige produktie van artistiek verantwoord aardewerk. Op de tentoonstelling is vooral in het gedeelte dat aan de eerste vijftien jaren van zijn zelfstandige werkzaamheid is gewijd, goed te volgen hoe Lanooy daartoe kwam en naar een eigen vorm zocht. Hij begon als echte plateelschilder: decoraties van planten, bloemen, vissen of vogels werden op de voorwerpen geschilderd. De vorm en inhoud waren nog geheel in overeenstemming met wat in de fabrieken geproduceerd werd. Na een korte periode als ontwerper aan een fabriek in Purmerend verbonden te zijn geweest, voorzag hij sedert de jaren 1907 en 1908 zijn werk niet meer van dier- en plantillustraties, maar werkte hij alleen nog maar met glazuur. In deze tijd begon hij zich ook "kunstpottenbakker" te noemen. Een nieuwe mentaliteit was uitgekristalliseerd. Door velen werd daar vreemd tegenaan gekeken. Een criticus schreef in 1908 in Onze Kunst:"Om zijn eigenaardige distinctie zal dit werk naast vele meer fabriekmatige producten wel worden gezocht, al wil het me niet recht duidelijk worden, tot welke uiterste dit pottenfetischisme tenslotte zal moeten leiden." In 1914 had Lanooy een grote overzichtstentoonstelling in het Stedelijk Museum te Amsterdam. Een statement in de catalogus geeft beknopt Lanooys visie weer. Hij noemt zijn vak: "(.....) een gebied, waar ondervinding, technische kennis, picturale neiging en de noodige volharding moeten samengaan, om, na tegenslagen en teleurstellingen, eindelijk den vuurdaemon als een gewillige aan zich te onderwerpen. Mijn werk uit de laatste jaren, waarin (..........) de figuratieve versiering meer en meer voor een andere uiting heeft plaats gemaakt, mag door den oppervlakkigen of bevooroordeelden beschouwer voor "toevalskunst" worden gehouden, maar hij, die in genegenheid en met ernstigen wil om te begrijpen mijn veelzijdig zoeken gadeslaat, zal ten slotte in mijn werk toch een richting vinden, een bewust gewild voortgaan, natuurlijk afgescheiden van de vraag of zijn kunstovertuiging daar vrede bij kan vinden."
Het was deze "toevalskunst" die Lanooy wilde gaan beheersen. In een uitgebreid laboratorium nam hij proeven om de gewenste effecten op zijn potten te kunnen bereiken. Het figuratieve verdween echter niet geheel, maar maakte plaats voor de associatieve weergave van veelal in de natuur waargenomen fenomenen. Kleur en verloop van een glazuur werden hieraan ondergeschikt gemaakt. Zo kregen zijn vazen en schalen titels mee als Voorjaarssloot, Wintersloot, Kikkerlil, Dorrende zonnebloem, Kievitsei, Druilend weer, Uitgebloeide iris, maar ook Sla, Oude sjaal of Slachting van een koe. Het is duidelijk dat in een dergelijke impressionistische visie op de keramiek de gebruiksfunctie ervan naar het tweede plan verhuisde en de waarde als kunst voorop werd gezet. Het is even duidelijk dat door veel "blokjesmoderne tijdgenoten" (Jan Greshoff, 1910) deze visie hem niet in dank werd afgenomen. Ook mevrouw Kröller-Müller, die via de Lanooy-bewonderaar H. B. Bremmer zich in een grote verzameling keramiek van Lanooy had aangeschaft, vond dat hij te veel vastgebakken zat aan zijn natuurbegrippen. Ze vond dat hij een dieper en abstracter mens moest worden om zodoende te komen tot een vorm en kleur die boven de gestileerde natuuremoties uitgingen (zie haar boek uit 1925 Die Entwicklung der modernen Malerei). Lanooy was een schilder met glazuren. Wat hem niet lukte met verf op doek --- hij kwam daarin niet verder dan brave bos- en andere natuurtaferelen, vooral paddestoelen --- lukte hem wel binnen de beperking van een keramisch gebruiksvoorwerp. In zijn uitgebreide laboratorium ontwikkelde hij als een ware alchemist grote aantallen recepten. Voor mevrouw Krööller-Müller heeft hij ooit opgeschreven waaruit de glazuren op de voorwerpen in haar verzameling bestonden. Zo is een schotel Nacht met doorbrekend licht eerst geglazuurd met "mangaan-sylveraarde waarover gedekt tin met mangaan en zink. Daaroverheen sluier van cobalt. Binnenzijde van de schotel: ondergrond mangaansylver, daaroverheen zes maal geraffineerd cobalt. Het hart uit mangaantin en zinkoxyde." Dit geëxperimenteer met kleuren werd zeker gedurende de eerste jaren door velen niet begrepen. Men verweet hem dat hij alles aan het toeval overliet, dat hij geen goede vormen wist te draaien en dat hij te veel kunstenaarspretenties had. De tentoonstelling in Leeuwarden is er om ons nu een beeld te kunnen vormen van Lanooys betekenis. Wat mij betreft kunnen we spreken van een rehabilitatie van Lanooy als pottenbakker,, en niet als kunstenaar. De schilderijen, die er hangen zijn van het soort waarvoor je uit curiositeitsoverwegingen op de markt een tientje zou willen neertellen. Veel van de keramiek is echter van een verrassend hoge kwaliteit. Vooral in zijn Goudse periode, heeft Lanooy vormen en kleuren gevonden die, hoe ook geïnspireerd op oosterse voorbeelden, van internationaal niveau zijn. In de latere werken worden de glazuren steeds ingewikkelder en effectrijker, maar de vormen steeds grover en saaier. De schotel en schalen lijken in veel gevallen de wat vermoeide dragers van schilderachtige in en door elkaar gevloeide glazuren. Lanooy is een van de weinige Nederlanders geweest die zich intensief en bijna wetenschappelijk met de samenstelling van glazuren bezig hebben gehouden, en hij heeft daarin belangrijke en bevredigende resultaten geboekt. Het is eeuwig zonde dat zijn werk zo op zich zelf is blijven staan en dat, een enkele uitzondering daargelaten, de huidige Nederlandse pottenbakkers liever droomillustraties kneden dan ons de wonderen van glazuur op gebakken aarde voor te toveren. De tentoonstelling in Leeuwarden is voortreffelijk, door de keuze van de voorwerpen en door de opstelling. En de catalogus leert ons dat het mogelijk is zonder zwijmelarij, maar intelligent en goed gedocumenteerd te schrijven over keramiek. De tentoonstelling duurt tot 30 mei(1977). Terug |